<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	>

<channel>
	<title>Boeve adviesgroep</title>
	<atom:link href="https://boeve.nl/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>https://boeve.nl</link>
	<description>Belasting- en bedrijfsadviseurs</description>
	<lastBuildDate>Tue, 30 Nov -001 00:00:00 +0000</lastBuildDate>
	<language>nl-NL</language>
	<sy:updatePeriod>
	hourly	</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>
	1	</sy:updateFrequency>
	<generator>https://wordpress.org/?v=7.0</generator>

<image>
	<url>https://boeve.nl/wp-content/uploads/2023/01/boevefav.png</url>
	<title>Boeve adviesgroep</title>
	<link>https://boeve.nl</link>
	<width>32</width>
	<height>32</height>
</image> 
	<item>
		<title>Eigen handtekening onder inkeermelding bewijst opzet</title>
		<link>https://boeve.nl/eigen-handtekening-onder-inkeermelding-bewijst-opzet/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Flexxmarketing]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 23 Jul 2026 04:00:00 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Niet gecategoriseerd]]></category>
		<guid isPermaLink="false">http://im-67999</guid>

					<description><![CDATA[Een vrouw ondertekent samen met haar echtgenoot een inkeermelding voor buitenlands vermogen van ruim]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<p>Een vrouw ondertekent samen met haar echtgenoot een inkeermelding voor buitenlands vermogen van ruim twee miljoen euro. Jaren later stelt zij dat haar echtgenoot haar tot eind 2017 onwetend heeft gehouden over dat vermogen. Zij zou daarom geen opzet hebben gehad bij het doen van onjuiste aangiften. De rechtbank acht die verklaring volstrekt ongeloofwaardig. De inkeermelding spreekt immers van &#39;wij&#39; en &#39;ons&#39; en is door haarzelf ondertekend.</p>
<h4>Van Luxemburg naar Hongkong</h4>
<p>De vrouw drijft samen met haar echtgenoot een onderneming in vof-verband. De echtgenoot heeft in het verleden bij de Belastingdienst gewerkt. Het echtpaar houdt een effectenrekening aan in Luxemburg met een saldo van rond de twee miljoen euro. In 2013 heffen zij de rekening op en boeken het saldo over naar Hongkong. De nieuwe rekening wordt op naam van hun zoon gezet, omdat hij regelmatig in Hongkong moet zijn voor zijn werk. Op 29 december 2017 sturen de vrouw, haar echtgenoot en hun zoon gezamenlijk een inkeermelding naar de Belastingdienst. In de e-mail schrijven zij dat zij willen inkeren &#39;van het niet aangegeven van vermogen wat belast had moeten worden in Box 3&#39;. De drie ondertekenen de melding persoonlijk.</p>
<h4>Navorderingsaanslagen en boetes</h4>
<p>De inspecteur legt navorderingsaanslagen inkomstenbelasting op over de jaren 2009 tot en met 2014. Op verzoek van het echtpaar worden deze uitsluitend aan de vrouw opgelegd. Bij de aanslagen over 2012 tot en met 2014 horen vergrijpboetes van 120% wegens opzet. Die boetes zijn al gematigd vanwege de vrijwillige inkeer. Zonder inkeer had 300% kunnen worden opgelegd. De vrouw maakt bezwaar. Zij stelt dat zij niet wist van het buitenlandse vermogen en dat haar echtgenoot haar bewust onwetend heeft gehouden. Daarom zou zij geen opzet hebben gehad.</p>
<h4>Inkeermelding als bewijs</h4>
<p>De rechtbank maakt korte metten met dit verweer. Uit de inkeermelding blijkt dat de vrouw in elk geval in 2013 wist van de Luxemburgse rekening, omdat zij die rekening toen samen met haar echtgenoot heeft opgeheven. De aangiften over 2012, 2013 en 2014 zijn alle ingediend n&aacute; die opheffing. De vrouw wist dus van het vermogen, maar vermeldde het niet. De inkeermelding spreekt consequent van &#39;wij&#39; en &#39;ons&#39; en is door haarzelf mede ondertekend. De andersluidende verklaring van de echtgenoot, dat zij pas eind 2017 zou zijn ingelicht, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig.</p>
<div style="font-size:smaller" class="im_source">Bron:Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:5070 | 25-06-2026</div>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Wet excessief lenen doorstaat eerste toets</title>
		<link>https://boeve.nl/wet-excessief-lenen-doorstaat-eerste-toets/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Flexxmarketing]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 23 Jul 2026 04:00:00 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Niet gecategoriseerd]]></category>
		<guid isPermaLink="false">http://im-67997</guid>

					<description><![CDATA[Een dga leent ruim zeven ton van zijn eigen bv. Het bedrag boven de wettelijke drempel van &#8364;]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<p>Een dga leent ruim zeven ton van zijn eigen bv. Het bedrag boven de wettelijke drempel van &euro; 700.000 wordt belast als fictief regulier voordeel. De dga vindt dit in strijd met het Europese eigendomsrecht en het discriminatieverbod. Waarom telt een zakelijke lening even zwaar als een onzakelijke lening? Rechtbank Den Haag verwerpt alle bezwaren. De wetgever mocht kiezen voor een eenvoudige regeling die alle leningen gelijk behandelt.</p>
<h4>Schuld groeit snel</h4>
<p>De dga houdt alle aandelen in een bv. Zijn rekening-courantschuld aan de vennootschap groeit van ruim &euro; 5.000 in 2017 naar bijna &euro; 600.000 eind 2022. In 2023 loopt de schuld verder op tot &euro; 786.278. Per 1 januari 2023 is de Wet excessief lenen in werking getreden. Die wet bepaalt dat schulden aan de eigen bv boven de drempel van &euro; 700.000 worden belast als fictief regulier voordeel in box 2. Het bovenmatige deel bedraagt &euro; 86.278. Na verdeling met zijn fiscale partner wordt &euro; 75.127 bij de dga belast tegen het aanmerkelijkbelangtarief.</p>
<h4>Beroep op grondrechten</h4>
<p>De dga stelt dat de heffing in strijd is met het Europese eigendomsrecht. Hij voert aan dat de wetgever ten onrechte geen onderscheid maakt tussen zakelijke en onzakelijke leningen. Een lening met zakelijke voorwaarden en zekerheden zou anders behandeld moeten worden dan een informele schuld zonder aflossingsschema. Daarnaast vindt de dga de heffing disproportioneel, omdat deze een radicale wijziging vormt die zonder overgangsrecht is ingevoerd. Tot slot beroept hij zich op het discriminatieverbod en stelt hij dat de heffing het draagkrachtbeginsel schendt.</p>
<h4>Beschikking over gelden is doorslaggevend</h4>
<p>De rechtbank verwerpt alle stellingen. De heffing heeft een wettelijke basis, dient een legitiem doel en respecteert de vereiste balans tussen individueel en algemeen belang. Het doel van de wet is om uitstel en afstel van belastingheffing door dga&#39;s tegen te gaan. Daarbij is doorslaggevend dat de dga op enig moment de beschikking heeft gehad over het geleende bedrag. Of de lening zakelijk of onzakelijk is, doet er niet toe. De wetgever heeft bewust gekozen voor een eenvoudige regeling waarin alle leningen, behalve de eigenwoningschuld, gelijk worden behandeld. Die keuze is niet onredelijk.</p>
<h4>Vijf jaar anticipatietijd</h4>
<p>De rechtbank oordeelt verder dat de heffing niet disproportioneel is. De wetgever heeft de maatregel al in september 2018 aangekondigd, zodat dga&#39;s ruim vijf jaar de tijd hadden om hun schuldpositie af te bouwen. Bovendien kan een dga die later aflost het eerder belaste bedrag verrekenen als een negatief regulier voordeel en is de drempel &euro; 200.000 hoger vastgesteld dan oorspronkelijk beoogd. Bij deze dga speelt terugwerkende kracht bovendien niet. Zijn schuld steeg pas in 2023 boven de drempel. Het beroep is ongegrond.</p>
<div style="font-size:smaller" class="im_source">Bron:Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:18507 | 01-07-2026</div>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Geen arbeidskorting bij ZW-uitkering na beëindigde dienstbetrekking</title>
		<link>https://boeve.nl/geen-arbeidskorting-bij-zw-uitkering-na-beeindigde-dienstbetrekking/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Flexxmarketing]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 23 Jul 2026 04:00:00 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Niet gecategoriseerd]]></category>
		<guid isPermaLink="false">http://im-67869</guid>

					<description><![CDATA[Iemand heeft recht op arbeidskorting als hij arbeidsinkomen geniet. Sinds 1 januari 2020 telt een]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<p>Iemand heeft recht op arbeidskorting als hij arbeidsinkomen geniet. Sinds 1 januari 2020 telt een Ziektewet-uitkering (ZW-uitkering) alleen mee als arbeidsinkomen als de dienstbetrekking nog niet is be&euml;indigd. De wet maakt nu dus onderscheid tussen zieke werknemers met een lopende dienstbetrekking en zieke personen zonder dienstbetrekking. Voor de laatste groep, waaronder mensen van wie het arbeidscontract tijdens ziekte is be&euml;indigd, telt de ZW-uitkering niet langer mee voor de arbeidskorting.</p>
<h4>Arbeidskorting terugbetalen&nbsp;</h4>
<p>Een man trad in 1992 in dienst bij zijn inmiddels ex-werkgever. In april 2021 sluiten zij een vaststellingsovereenkomst, waarin zij overeenkomen dat de arbeidsovereenkomst per 1 september 2021 met wederzijds goedvinden eindigt. In mei 2021 meldt de man zich ziek. Vanaf dat moment ontvangt de man een ZW-uitkering tot mei 2023. In zijn aangifte 2022 geeft de man deze inkomsten aan als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking. De inspecteur stelt de aanslag echter vast op basis van inkomen uit vroegere dienstbetrekking, waardoor de man geen recht heeft op arbeidskorting.&nbsp;</p>
<h4>Eigenrisicodrager&nbsp;</h4>
<p>De man maakt bezwaar. Volgens hem is er nog sprake van een dienstbetrekking. Hij voert aan dat een wettelijk ontslag niet kan ingaan tijdens een ziekteperiode. Tevens verwijst hij naar de loonspecificatie van december 2022 en de jaaropgaven (2021-2023), waarin hij als &#39;werknemer&#39; wordt aangeduid en waarop &#39;datum van indiensttreding: 1 september 2021&#39; staat vermeld. De inspecteur stelt dat de dienstbetrekking op 31 augustus 2021 met wederzijds goedvinden is ge&euml;indigd. De ZW-uitkering wordt door de ex-werkgever als eigenrisicodrager uitgekeerd en niet in het kader van een lopende dienstbetrekking.&nbsp;</p>
<h4>Geen recht op arbeidskorting&nbsp;</h4>
<p>De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een dienstbetrekking. De dienstbetrekking is per 1 september 2021 be&euml;indigd via de vaststellingsovereenkomst. De man heeft geen bewijs geleverd dat deze overeenkomst ongeldig of herroepen is. De vermeldingen op de loonspecificaties en jaaropgaven, zoals &#39;datum van indiensttreding: 1 september 2021&#39; of &#39;werknemer&#39;, zijn niet doorslaggevend. De loonspecificatie vermeldt namelijk ook de functie &#39;ZW-uitkeringsgerechtigde&#39;. De ex-werkgever ging uit van een dienstbetrekking tot 1 september 2021, maar niet daarna. De rechtbank merkt op dat de man bij herstel na 1 september 2021 geen loon meer zou ontvangen van zijn ex-werkgever, aangezien de arbeidsovereenkomst niet meer bestaat. Aangezien het hier niet gaat om een ZW-uitkering met een lopende dienstbetrekking, telt de uitkering niet mee als arbeidsinkomen. Hierdoor bestaat er geen recht op arbeidskorting.</p>
<div style="font-size:smaller" class="im_source">Bron:Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:5042 | 25-06-2026</div>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Vestiging tweede hypotheek is aanleiding voor aansprakelijkheid voor belastingschuld</title>
		<link>https://boeve.nl/vestiging-tweede-hypotheek-is-aanleiding-voor-aansprakelijkheid-voor-belastingschuld/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Flexxmarketing]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 16 Jul 2026 04:00:00 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Niet gecategoriseerd]]></category>
		<guid isPermaLink="false">http://im-66906</guid>

					<description><![CDATA[Een holding en haar dga worden aansprakelijk gesteld voor een btw-schuld van een dochter-bv van de]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<p>Een holding en haar dga worden aansprakelijk gesteld voor een btw-schuld van een dochter-bv van de holding. De btw-schuld bedraagt ruim een miljoen euro. Zij bestrijden de aansprakelijkstelling met als standpunt dat de schuld zou zijn verjaard. Hoe oordeelt het hof?</p>
<h4>Tweede hypotheek voor de holding</h4>
<p>Een bv heeft een aantal panden gekocht voor de ontwikkeling van een vastgoedproject. De aankoop is gefinancierd met een hypothecaire lening van een bank. De gemeente wijzigt het bestemmingsplan, waardoor het project niet doorgaat en de waarde van de panden daalt. De bv lost vervolgens niet meer af op de schuld aan de bank. De bank is bereid het krediet voort te zetten op voorwaarde dat de bv een nieuwe eigenaar krijgt. De holding koopt de aandelen in de bv voor &eacute;&eacute;n euro en neemt een vordering van de oude aandeelhouder op de bv van &euro; 1,5 miljoen over voor eveneens &eacute;&eacute;n euro. De holding wordt bestuurder van de bv. De bv vestigt een tweede hypotheek op de panden ten gunste van de holding. De bv gaf hiermee voor een extra kredietruimte van twee ton voor &euro; 1,76 miljoen aan zekerheid. Na verkoop van de panden ontvangt de holding als tweede hypotheekhouder ruim een miljoen euro. De btw op de verkoop van bijna &euro; 1,25 miljoen wordt niet afgedragen. De ontvanger van de Belastingdienst stelt de holding en haar dga aansprakelijk.</p>
<h4>Beroep op verjaring</h4>
<p>De holding en de dga stellen dat de belastingschuld is verjaard. Het dwangbevel dateert van april 2016 en gelet op de verjaringstermijn van vijf jaar zou de verjaringstermijn van de belastingschuld in 2021 zijn verstreken. Dit is ruim voordat de ontvanger in 2024 een stuitingsbrief verstuurde.&nbsp;Volgens de ontvanger is de verjaring tussentijds gestuit doordat de bv de schuld heeft erkend. Het hof oordeelt dat de holding en de dga als de bestuurders van de bv de schuld meermaals hebben erkend.</p>
<h4>Terecht aansprakelijk</h4>
<p>Het hof oordeelt dat de holding en haar dga terecht aansprakelijk zijn gesteld voor de omzetbelastingschuld van de bv. De bv heeft haar andere schuldeisers, waaronder de Belastingdienst, benadeeld door de vestiging van de tweede hypotheek. Ook is de vordering van de holding en haar dga daardoor aanzienlijk in waarde toegenomen. Het hof merkt dit aan als kennelijk onbehoorlijk bestuur.</p>
<div style="font-size:smaller" class="im_source">Bron:Gerechtshof &#8216;s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:671 | 10-03-2026</div>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Aftrek geweigerd omdat huurovereenkomst niet aan eisen voldoet</title>
		<link>https://boeve.nl/aftrek-geweigerd-omdat-huurovereenkomst-niet-aan-eisen-voldoet/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Flexxmarketing]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 16 Jul 2026 04:00:00 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Niet gecategoriseerd]]></category>
		<guid isPermaLink="false">http://im-67854</guid>

					<description><![CDATA[Een ondernemer huurt sinds 2016 een aantal bedrijfsruimtes in een pand. De verhuurder brengt btw in]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<p>Een ondernemer huurt sinds 2016 een aantal bedrijfsruimtes in een pand. De verhuurder brengt btw in rekening op basis van een afspraak over belaste verhuur. Kort daarna begint de ondernemer delen van het pand door te verhuren aan derden. Bij deze onderverhuur wordt in de huurovereenkomsten expliciet opgenomen dat geen btw over de huur wordt gerekend. In 2017 adviseert een nieuwe accountant de ondernemer om toch btw te berekenen over de onderverhuur. De ondernemer laat zijn onderhuurders per e-mail weten dat vanaf 1 juli 2017 btw in rekening wordt gebracht. Deze aanpassing wordt echter niet vastgelegd in nieuwe huurovereenkomsten.&nbsp;</p>
<h4>Correcties</h4>
<p>In 2021 start de Belastingdienst een boekenonderzoek naar de aangiften van de ondernemer over de periode 2016 tot en met 2018. Het onderzoek brengt verschillende tekortkomingen aan het licht, waaronder een verschil tussen aangiften en administratie (aansluitverschillen) en een onterechte aftrek van voorbelasting voor het pand. In 2022 stuurt de Belastingdienst naheffingsaanslagen over 2017 en 2018, met correcties voor deze punten.</p>
<h4>Belaste verhuur en aftrekrecht</h4>
<p>Voor belaste verhuur is vereist dat de onroerende zaak wordt gebruikt voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van omzetbelasting bestaat. Ook moeten verhuurder en huurder dit schriftelijk zijn overeengekomen of gezamenlijk een verzoek hebben ingediend bij de inspecteur. De rechtbank stelt vast dat de huurovereenkomsten met de onderhuurders expliciet vermelden dat geen omzetbelasting in rekening wordt gebracht. De ondernemer heeft niet aannemelijk gemaakt dat partijen voor belaste verhuur hebben gekozen of een gezamenlijk verzoek hebben ingediend.</p>
<h4>Geen aftrek</h4>
<p>Omdat de onderverhuur vrijgesteld is van omzetbelasting, gebruikt de ondernemer het pand niet voor prestaties waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van voorbelasting bestaat. Hierdoor kon de ondernemer het pand niet met een optie voor belaste verhuur huren van de bv. De ondernemer heeft daarom geen recht op aftrek van deze voorbelasting. De correcties van de inspecteur zijn terecht.</p>
<div style="font-size:smaller" class="im_source">Bron:Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2025:16030 | 18-12-2025</div>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Turboliquidatie biedt geen bescherming tegen navordering ab-heffing</title>
		<link>https://boeve.nl/turboliquidatie-biedt-geen-bescherming-tegen-navordering-ab-heffing/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Flexxmarketing]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 16 Jul 2026 04:00:00 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Niet gecategoriseerd]]></category>
		<guid isPermaLink="false">http://im-67851</guid>

					<description><![CDATA[Een vrouw houdt 20% van de certificaten in een holding. De werkmaatschappij wordt geturboliquideerd]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<p>Een vrouw houdt 20% van de certificaten in een holding. De werkmaatschappij wordt geturboliquideerd en de onderneming gaat over naar haar vader als eenmanszaak. Niemand geeft inkomen uit aanmerkelijkbelang aan. Jaren later legt de inspecteur navorderingsaanslagen op. De dochter stelt dat de turboliquidatie betekent dat er geen baten waren en dus geen ab-inkomen. De rechtbank verwerpt dit betoog.</p>
<h4>Van bv naar eenmanszaak</h4>
<p>Vader drijft zijn onderneming via een werkmaatschappij onder een holding, waarvan hij veertig certificaten heeft. In 1994 schenkt hij zestien certificaten aan zijn twee kinderen, elk acht. De dochter heeft daarmee 20% en dus een aanmerkelijk belang. Per 1 januari 2018 wil vader de onderneming voortzetten als eenmanszaak. De werkmaatschappij wordt ontbonden via turboliquidatie. Een snelle be&euml;indiging zonder vereffening, mits er geen baten zijn. De boekhouder gaat uit van een geruisloze terugkeer, maar vraagt geen beschikking aan. In de aangiften inkomstenbelasting 2018 wordt geen ab-inkomen aangegeven, terwijl liquidatie normaal leidt tot een vervreemdingsvoordeel.</p>
<h4>Vermogenssprong roept vragen op</h4>
<p>De inspecteur legt in juni 2019 de aanslagen 2018 op conform de aangiften. In december 2019 meldt de werkmaatschappij in haar aangifte vennootschapsbelasting dat zij is ontbonden. Bij controle blijkt dat geen beschikking geruisloze terugkeer is aangevraagd en dat er een vordering van ruim twee ton op vader bestond. Die vertegenwoordigt waarde voor de certificaathouders. De inspecteur vennootschapsbelasting attendeert zijn collega van de inkomstenbelasting en in oktober 2023 volgen navorderingsaanslagen. De dochter en haar fiscaal partner moeten elk over &euro; 22.246 aan ab-inkomen afrekenen.</p>
<h4>Nieuw feit of ambtelijk verzuim?</h4>
<p>De dochter betoogt primair dat de inspecteur niet mag navorderen. De ontbinding was immers geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en haar certificaathouderschap was bekend. Bovendien had de vermogenssprong van twee ton in de aangifte van vader, waar de schuld aan de bv verdween, de inspecteur moeten alarmeren. De rechtbank verwerpt beide stellingen. De aangifte vennootschapsbelasting waarin de ontbinding werd vermeld, is pas ingediend nadat de aanslagen inkomstenbelasting waren opgelegd. De vermogenssprong bij vader schept geen onderzoeksplicht voor de aangiften van de dochter. Er is dus een nieuw feit.</p>
<h4>Turboliquidatie zonder baten?</h4>
<p>Volgens de dochter betekent turboliquidatie dat er geen baten zijn en dus geen uitkering. De rechtbank maakt korte metten met dit betoog. Een turboliquidatie is slechts toegestaan als er geen baten meer zijn, maar dat betekent niet dat er ook daadwerkelijk geen baten waren. De vordering op vader wijst op waarde. Hoe die is verdwenen, blijft onduidelijk. De dochter levert geen bewijs. De gemachtigde geeft ter zitting toe dat het &#39;gegis&#39; is hoe een en ander is afgewikkeld. De rechtbank volgt daarom de berekening van de inspecteur en handhaaft de navorderingsaanslagen.</p>
<div style="font-size:smaller" class="im_source">Bron:Rechtbank Noord-Nederland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNNE:2026:2181 | 01-06-2026</div>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Ook na verliesverrekening kan de verdeling niet worden aangepast</title>
		<link>https://boeve.nl/ook-na-verliesverrekening-kan-de-verdeling-niet-worden-aangepast/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Flexxmarketing]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 09 Jul 2026 04:00:00 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Niet gecategoriseerd]]></category>
		<guid isPermaLink="false">http://im-67789</guid>

					<description><![CDATA[Een man en een vrouw zijn fiscale partners van elkaar. De inspecteur legt in 2016 aanslagen]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<p>Een man en een vrouw zijn fiscale partners van elkaar. De inspecteur legt in 2016 aanslagen inkomstenbelasting op voor het jaar 2015. In 2018 lijdt de vrouw een ondernemingsverlies. Dit verlies wordt in 2020 achterwaarts verrekend met haar inkomen uit werk en woning van 2015, waardoor haar aanslag wordt verminderd.&nbsp;</p>
<h4>Verzoek om herverdeling</h4>
<p>De heffingskorting, die voor de verliesverrekening wel kon worden benut, kan de vrouw nu niet meer ten volle benutten. Daarom verzoeken de man en vrouw na de verliesverrekening in juli 2020 gezamenlijk om herverdeling van de grondslag sparen en beleggen voor 2015. De inspecteur wijst dit verzoek af. Herverdeling is niet meer mogelijk, omdat de aanslagen 2015 op het moment van het verzoek al onherroepelijk vaststaan. De rechtbank bevestigt dit standpunt.</p>
<h4>Toch herverdeling?</h4>
<p>Het hof is het hier in eerste instantie mee eens en stelt dat de wet helder is. Echter, het hof overweegt vervolgens dat de wetgever niet heeft voorzien dat achterwaartse verliesverrekening kan leiden tot onbenutte heffingskortingen en dat herverdeling dit effect niet kan wegnemen als de aanslag van de partner onherroepelijk is. Het hof acht het niet aannemelijk dat de wetgever dit gevolg heeft willen aanvaarden en vermindert de aanslag van de man.</p>
<h4>Hoge Raad bevestigt onherroepelijkheid</h4>
<p>De staatssecretaris stelt beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het hof. De Hoge Raad oordeelt dat het middel van de staatssecretaris slaagt. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die leiden tot gevolgen die de wetgever niet heeft voorzien en niet wil aanvaarden. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.</p>
<div style="font-size:smaller" class="im_source">Bron:Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:913 | 11-06-2026</div>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Personal training dga en de arbovrijstelling</title>
		<link>https://boeve.nl/personal-training-dga-en-de-arbovrijstelling/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Flexxmarketing]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 09 Jul 2026 04:00:00 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Niet gecategoriseerd]]></category>
		<guid isPermaLink="false">http://im-67765</guid>

					<description><![CDATA[Een bv krijgt een naheffingsaanslag loonheffingen met belastingrente en een verzuimboete opgelegd]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<p>Een bv krijgt een naheffingsaanslag loonheffingen met belastingrente en een verzuimboete opgelegd over de jaren 2018 t/m 2020. De inspecteur corrigeert de kosten voor personal training en sportschoolabonnementen van de dga en zijn echtgenote. De dga vindt dat deze kosten onder de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen vallen. De werkgever zorgt hiermee voor de gezondheid van zijn werknemers, wat verplicht is volgens de wet.</p>
<h4>Arbowet en gezagsverhouding</h4>
<p>De dga is directeur en enig aandeelhouder van de bv en tevens de enige werknemer. De bv heeft een 51%-belang in een andere bv, waar de echtgenote van de dga in dienst is. De inspecteur stelt dat de dga een zelfstandige is en dat de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) niet van toepassing is. De rechtbank oordeelt echter dat er wel sprake is van een gezagsverhouding tussen de bv en de dga, waardoor de Arbowet van toepassing is. Het is niet relevant of materieel sprake is van een gezagsverhouding.</p>
<h4>Gerichte vrijstelling en partner</h4>
<p>De bv stelt dat de kosten voor personal training en het sportschoolabonnement van de dga onder de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen vallen. De rechtbank volgt dit standpunt. Daarbij wijst zij erop dat sinds de wetswijziging het direct-verbandcriterium niet langer onderdeel uitmaakt van de vrijstelling voor arbovoorzieningen. Onder de omstandigheden van deze zaak kunnen de kosten van de dga daarom onder de gerichte vrijstelling vallen. De kosten voor de partner van de dga vallen hier echter niet onder, omdat zij geen werknemer van de bv is.</p>
<h4>Werkplek</h4>
<p>De inspecteur betwist ook dat de voorzieningen op de werkplek zijn verbruikt. De rechtbank stelt vast dat arbovoorzieningen ook buiten de werkplek onder de gerichte vrijstelling kunnen vallen. Verder slaagt het standpunt van de inspecteur over de gebruikelijkheidstoets niet, omdat hij dit onvoldoende met data onderbouwt.</p>
<h4>Wetswijziging vanaf 2022</h4>
<p>Deze uitspraak heeft betrekking op de jaren 2018 t/m 2020. Per 2022 is de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen aangescherpt. Tot dat moment gold de vrijstelling voor voorzieningen die rechtstreeks voortvloeiden uit het arbobeleid van de werkgever. Vanaf 2022 geldt de vrijstelling alleen nog voor voorzieningen die direct samenhangen met een verplichting van de werkgever op grond van de Arbowet.&nbsp;Hierdoor is het de vraag of de kosten van een sportschoolabonnement en personal training na 2021 nog onder de gerichte vrijstelling kunnen vallen.</p>
<div style="font-size:smaller" class="im_source">Bron:Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:4935 | 03-07-2026</div>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Blind investeren in handelsbot kost ondernemer aftrek</title>
		<link>https://boeve.nl/blind-investeren-in-handelsbot-kost-ondernemer-aftrek/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Flexxmarketing]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 09 Jul 2026 04:00:00 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Niet gecategoriseerd]]></category>
		<guid isPermaLink="false">http://im-67761</guid>

					<description><![CDATA[Een ondernemer investeert ruim &#8364; 60.000 in een handelsbot die maandelijks 10 tot 20% rendement]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<p>Een ondernemer investeert ruim &euro; 60.000 in een handelsbot die maandelijks 10 tot 20% rendement zou opleveren. De bot blijkt niet te bestaan en de aanbieder wordt veroordeeld voor oplichting. De ondernemer wil zijn verlies aftrekken als ondernemingskosten, maar het hof oordeelt dat de investering geen bron van inkomen vormt. Een objectieve voordeelsverwachting ontbreekt, omdat de ondernemer nooit inzicht kreeg in de werking van de bot.</p>
<h4>Van evenementen naar crypto</h4>
<p>De ondernemer drijft een eenmanszaak die cursussen en evenementen over coaching en persoonlijke ontwikkeling organiseert. Via zijn zakelijke netwerk leert hij iemand kennen die beweert een handelsbot te hebben ontwikkeld waarmee geautomatiseerd in cryptocurrency wordt gehandeld. De aanbieder presenteert zijn product op een van de evenementen van de ondernemer en maakt een professionele indruk. Hij toont schermafbeeldingen waaruit blijkt dat de bot stabiel rendeert. De ondernemer, die zelf een opleiding tot blockchain-professional heeft gevolgd, raakt ge&iuml;nteresseerd. Hij begint met een investering van duizend euro en ziet via een app dat zijn inleg in zeven maanden verdrievoudigt. Hij besluit meer te investeren en maakt uiteindelijk ruim zestigduizend euro over.</p>
<h4>Oplichting aan het licht</h4>
<p>Als de ondernemer zijn geld wil opnemen, komt de aanbieder met smoesjes. De ondernemer doet aangifte van oplichting. Uit het strafrechtelijk onderzoek blijkt dat de handelsbot nooit heeft bestaan. De schermafbeeldingen waren gefingeerd. De aanbieder wordt veroordeeld voor oplichting van 65 slachtoffers. De ondernemer dient vervolgens een herziene aangifte inkomstenbelasting in, waarin hij het verlies als ondernemingskosten opvoert. De inspecteur weigert de aftrek.</p>
<h4>Geen objectieve voordeelsverwachting</h4>
<p>Voor het hof staat de vraag centraal of de investering in de handelsbot een bron van inkomen vormt. Dat vereist deelname aan het economisch verkeer, het subjectief beogen van voordeel en een objectieve voordeelsverwachting. De eerste twee voorwaarden zijn niet in geschil. De derde wel. De ondernemer betoogt dat hij redelijkerwijs voordeel mocht verwachten omdat de aanbieder overtuigend overkwam, resultaten toonde en 65 anderen eveneens heeft opgelicht. Het hof verwerpt dit betoog. Doorslaggevend is dat de ondernemer, ondanks herhaalde verzoeken, nooit inzicht heeft gekregen in de werking van de bot. De ongefundeerde beweringen van de aanbieder, hoe overtuigend die subjectief ook waren, maken niet dat naar objectieve maatstaven een geldelijk voordeel redelijkerwijs kon worden verwacht.</p>
<h4>Geen verband met onderneming</h4>
<p>De ondernemer stelt subsidiair dat het verlies verband houdt met zijn bestaande onderneming. Hij wilde via de investering kennis opdoen om cursussen over cryptohandel te kunnen ontwikkelen. Ook dit argument verwerpt het hof. De ondernemer heeft niet aannemelijk gemaakt dat de investering diende om cursussen te ontwikkelen. Evenmin heeft hij onderbouwd dat hij met ondernemingsvermogen heeft ge&iuml;nvesteerd. Het verlies is niet aftrekbaar in box 1.</p>
<div style="font-size:smaller" class="im_source">Bron:Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2026:1598 | 12-05-2026</div>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Slotkoers voorafgaande maand toegestaan bij waardering dividend in vreemde valuta</title>
		<link>https://boeve.nl/slotkoers-voorafgaande-maand-toegestaan-bij-waardering-dividend-in-vreemde-valuta/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Flexxmarketing]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 09 Jul 2026 04:00:00 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Niet gecategoriseerd]]></category>
		<guid isPermaLink="false">http://im-67648</guid>

					<description><![CDATA[Een Nederlandse bv ontvangt dividend van haar Chinese dochtermaatschappij. Zij waardeert de]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<p>Een Nederlandse bv ontvangt dividend van haar Chinese dochtermaatschappij. Zij waardeert de dividendvordering in euro&#39;s tegen de slotkoers van de maand voorafgaand aan de transactie, zoals de concernrichtlijnen voorschrijven. De inspecteur vindt dat zij de dagkoers had moeten gebruiken en legt een navorderingsaanslag op. De correctie bedraagt ruim &euro; 7,4 miljoen. Is het waarderingssysteem van de bv in overeenstemming met goed koopmansgebruik?</p>
<h4>Dividend uit China</h4>
<p>De bv is de Nederlandse tak van een beursgenoteerd logistiek concern en houdt belangen in meer dan 200 dochtermaatschappijen wereldwijd. In augustus 2015 keert een Chinese dochter een dividend uit, van omgerekend ruim &euro; 106 miljoen. De uitbetaling vindt pas in november plaats, omdat de goedkeuring van de Chinese fiscale autoriteiten voor een verlaagd tarief bronbelasting op zich laat wachten. De bv activeert de dividendvordering tegen de slotkoers van juli 2015 en waardeert de ontvangen betalingen tegen de slotkoers van oktober 2015. Dat levert een koersverlies op van bijna &euro; 2,5 miljoen.</p>
<h4>Inspecteur wil dagkoersen</h4>
<p>De inspecteur is het niet eens met deze werkwijze. Hij stelt dat de bv de dagkoers van de transactie had moeten hanteren en komt dan niet uit op een verlies, maar op een koerswinst van bijna &euro; 5 miljoen. De correctie van ruim &euro; 7,4 miljoen leidt tot een navorderingsaanslag over 2015 en doorwerking naar 2016. De inspecteur betoogt dat het waarderingssysteem van de bv in strijd is met goed koopmansgebruik, met de deelnemingsvrijstelling en met het totaalwinstbeginsel. Bovendien zou de interne concernovereenkomst onzakelijk zijn.</p>
<h4>Waarom de slotkoers?</h4>
<p>De bv legt uit dat alle concernonderdelen gebonden zijn aan een interne bankovereenkomst en aan concernbrede boekhoudvoorschriften. Deze schrijven voor dat transacties in vreemde valuta worden gewaardeerd tegen de slotkoers van de voorafgaande maand. Het waarderingssysteem heeft valide bedrijfseconomische redenen: de valutarisico&#39;s worden geconcentreerd bij de inhouse bank van het hoofdkantoor. Bovendien sluiten de administraties van alle concernonderdelen op deze manier goed op elkaar aan. Dit vergemakkelijkt het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening. De bv past dit systeem al decennialang bestendig toe.</p>
<h4>Goed koopmansgebruik</h4>
<p>De rechtbank oordeelt dat het waarderingssysteem van de bv in overeenstemming is met goed koopmansgebruik. Bedrijfseconomische inzichten en de civielrechtelijke werkelijkheid zijn leidend, zolang geen strijd ontstaat met een uitdrukkelijk wettelijk voorschrift. Daarvan is hier geen sprake. De bv heeft immers niet meer dividend ontvangen dan het in haar aangifte verantwoorde bedrag, zodat geen strijd is met de deelnemingsvrijstelling of het totaalwinstbeginsel. Dat de koers van de Chinese yuan ten opzichte van de euro grillig is, doet daar niet aan af. Het systeem beantwoordt aan zowel het realiteitsbeginsel als het eenvoudsbeginsel. De inspecteur heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat de bv zich door het systeem structureel winst laat ontgaan. De rechtbank vernietigt de navorderingsaanslagen.</p>
<div style="font-size:smaller" class="im_source">Bron:Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:4173 | 14-04-2026</div>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
	</channel>
</rss>
